Foto studiecentrum
    Bij sommige mensen werkt hun brein iets anders dan gemiddeld. Hieruit kunnen allerlei problemen en / of kansen uit voortvloeien. Hieronder een aantal voorbeelden waar wij veelal mee te maken hebben. Voor meer informatie kunt u klikken op link voor de desbtreffende website.
  • Beelddenken
  • Wat is beelddenken?

    Beelddenken is denken in beelden en gebeurtenissen, niet in woorden en begrippen (primair denkproces). Een beelddenker ziet in één oogopslag het geheel. Alle informatie komt gelijktijdig binnen. Beelddenken is ruimtelijk denken. Daardoor overziet een beelddenker snel het geheel en kan hij vlot een oplossing bedenken. Het onder woorden brengen van die oplossing is alleen lastig.
    Het onderwijs is tegenwoordig gericht op het secundaire denkproces (taalgericht). Voor de mensen die hun primaire denkproces meer blijven gebruiken, kan het zijn dat ze vast lopen in hun leerproces.
  • Hoogbegaafd
  • In de wetenschappelijke literatuur zijn vele verschillende theoretische definities van hoogbegaafdheid te vinden. Het ontbreken van helderheid maakt het voor onderwijsprofessionals lastig om hoogbegaafdheid te signaleren. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, is hoogbegaafdheid meer dan alleen een hoge IQ-score op een intelligentietest. Het is een verzamelnaam voor verschillende kenmerken die in een individu tot uiting kunnen komen. Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van hoogbegaafdheid:
    • Een eerste factor is de aanwezigheid van een hoge mate van intelligentie bij de leerling. Dit kan gemeten worden door een intelligentietest en wordt meestal uitgedrukt in een IQ-score. Een precieze grens wordt niet gegeven, maar algemeen wordt aangenomen dat we van hoogbegaafdheid speken bij een IQ-score van 130 en hoger.
    • Een tweede belangrijke factor is de hoge mate van creativiteit die de leerling laat zien. In dit geval wordt onder creativiteit het vermogen om bijvoorbeeld iets origineels te bedenken verstaan (buiten de gegeven kaders te denken). Dat kan een oplossing voor een bepaalde som zijn, maar het kan ook een vraag zijn die niemand anders zou bedenken.
    • Een derde factor is de aanwezigheid van een grote motivatie. De enorme gedrevenheid, het doorzettingsvermogen en het plezier dat getoond wordt bij het uitvoeren van een opdracht zijn bij hoogbegaafde leerlingen werkelijk bijzonder.
    Zijn deze factoren allemaal in hoge mate aanwezig bij de leerling, dan hebben we te maken met een hoogbegaafde leerling. Het komt echter ook voor dat deze kenmerken niet altijd even sterk in de leerling aanwezig zijn. Een leerling met een hoge score op een intelligentietest, zonder een hoge mate van creativiteit en grote motivatie, noemen we dan ook hoogintelligent en niet hoogbegaafd. Net zoals er hoogintelligente leerlingen zijn, zijn er ook leerlingen die enkel beschikken over een hoge mate van creativiteit of die alleen een grote motivatie hebben.

    Voor meer informatie over hoogbegaafd:
    www.hoogbegaafd.nl

    Begin van de pagina

  • ADHD / ADD
  • ADHD betekent letterlijk 'Attention-Deficit-Hyperactivity-Disorder'. In het Nederlands betekent dat 'aandachts-tekort-hyperactiviteits-stoornis'. En kinderen zeggen ook vaak 'alle-dagen-heel-druk'. Dit klopt alleen niet helemaal. Er zijn verschillende soorten ADHD en iemand kan ook niet hyperactief zijn. In Nederland noemen we dat ADD. Als je ADHD hebt kun je allerlei problemen tegen komen:

    Aandachts of concentratie problemen:
    Vergeetachtigheid, van alles kwijtraken, steeds afgeleid worden, moeite hebben met details, niet kunnen blijven luisteren. Veel ADHD'ers en ADD'ers kunnen wel hyperfocussen, dat betekent dat je ergens helemaal in op kunt gaan, eventjes heel goed je aandacht ergens op kan richten en iets tot een goed einde brengen. Het betekent helaas ook dat sommige mensen hierdoor denken dat de momenten dat hyperfocussen niet lukt, je lui bent en je best niet doet.

    Impulsiviteit:
    Zomaar iets doen, zonder na te denken, te makkelijk geld uitgeven, voor je beurt spreken (omdat je bang bent dat je het anders vergeet), dingen 'eruit flappen', voor je beurt gaan zonder het door te hebben.

    Hyperactiviteit:
    Een constant gevoel van onrust in je lijf, steeds moeten friemelen/bewegen met je handen/voeten/voorwerpen, onrustig slapen, steeds moeten opstaan en wandelen, heel lang praten terwijl iemand anders het helemaal niet meer kan volgen, niet tot rust kunnen komen.

    Tijdsbeleving:
    (niet in DSM IV) Tijd niet goed kunnen inschatten als je iets moet doen, je komt vaak te laat! Zo'n 3% van de kinderen heeft ADHD. ADHD gaat nooit meer over. Je zal manieren moeten zoeken en leren, zodat je ermee om kan gaan. Als er een vermoeden is, dat een kind ADHD heeft, moet een (kinder)arts of (kinder)psychiater een onderzoek doen. Er kan nooit met 100% zekerheid gesteld worden dat er sprake is van ADHD.

    Voor meer informatie over ADHD:
    www.adhd.nl

    Begin van de pagina

  • PDD-NOS
  • We gebruiken in dit artikel de afkorting PDD-NOS. Dit staat voor Pervasive Developmental Disorder-Not Otherwise Specified, de Engelse term voor atypische pervasieve ontwikkelingsstoomis. Pervasief wil zeggen: diep doordringend. Het gaat om een stoornis die in het totale ontwikkelingsverloop doordringt. Dat wil zeggen dat de stoornis gevolgen heeft voor:

    • sociale relaties
    • taal-denkontwikkeling
    • voorstellingsvermogen
    • ontwikkeling en motoriek
    • zelfbeeld
    • gevoelens
    • fantasie enz.

    Het is van belang te weten dat de naam Pervasieve Ontwikkelingsstoornis (PDD) geen diagnose is maar een aanduiding van een groep stoornissen. In de moderne kinderpsychiatrie wordt de atypische pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD­NOS) omschreven als: een kwalitatieve tekortkoming in de ontwikkeling van de sociale vaardigheden en van de communicatieve vaardigheden. Deze problemen mogen niet het gevolg zijn van autisme of schizofrenie, twee psychiatrische beelden die deels uiterlijk dezelfde kenmerken hebben. Het is duidelijk dat dit een erg ruime omschrijving is en dat veel kinderen hieronder kunnen vallen. Men probeert dan ook binnen deze groep weer een onderverdeling te maken. Een eerste onderverdeling die wel gehanteerd wordt is:

    • Actief maar onhandig: kinderen die zowel uit zichzelf maar ook als reactie op anderen het contact aangaan, maar dit op een vreemde of onhandige manier doen.
    • Teruggetrokken: kinderen die het contact niet uit zichzelf aangaan en ook niet ingaan op de uitnodiging van anderen.
    • Passief: kinderen die uit zichzelf het contact niet aangaan maar wel ingaan op de uitnodiging van anderen.

    Voor meer informatie over PDD-NOS:
    www.orthopedagogiek.info

    Begin van de pagina

  • NLD
  • De 'Onbekende' leerstoornis

    De non-verbale leerstoornis is in Nederland vrij onbekend, terwijl naar schatting vijf procent van van de leerlingen op gewone basisscholen en tien procent van leerlingen in het speciaal onderwijs in meer of mindere mate NLD hebben. De kinderen lopen achter met rekenen en begrijpend lezen, terwijl het lezen zelf en spellen juist prima gaan.

    Kinderen met een non-verbale leerstoornis (NLD) hebben een sterke voorkeur voor informatie die ze kunnen horen en (na)vertellen. Het aloude 'voorzingen' van de tafels door de juf werkte bij hen prima; leren uit een boek met veel plaatjes of via een druk computerscherm vinden ze lastig. Ze zijn gericht op details en missen het grotere verband. Nieuwe dingen zijn daardoor beangstigend. Ze kunnen sociaal onhandig zijn omdat ze non-verbale signalen niet begrijpen. In Amerika en Canada is NLD even bekend als dyslexie en hebben basisscholen inmiddels aangepaste lesprogramma's ontwikkeld voor deze kinderen.

    Voor dat u verder leest

    Voordat u verder leest moet u weten dat NLD niet éénduidig wordt omschreven in de DSM IV (het handboek voor diagnostici). Dit betekent dan ook dat een diagnose NLD meerdere interpretaties* kent. Als u deze informatie opzoekt omdat u het vermoeden heeft dat uw kind "NLD" heeft en u uw kind op "NLD" wilt laten testen dan is het onderzoek en de diagnose vaak te bediscussiëren. Het onderzoek is vaak tijdrovend en duur en met de diagnose "NLD" (mijn kind heeft "NLD") worden er geen extra voorzieningen voor uw kind getroffen. Het is dan ook de vraag of uw kind geholpen is met de diagnose "NLD". Het beste wat ú kunt doen is met de (basis) school praten over wat het kind wél en niet goed kan en hiervoor een plan van aanpak laten opstellen. Het afnemen van een Intelligentie-, persoonlijkheidsonderzoek, aangevuld met de schoolgegevens kan u ook de nodige ondersteuning geven.

    * Om de verwarring voor ouders, volwassenen en hulpverleners helemaal compleet te maken vindt de ene wetenschapper dat NLD onder autisme hoort, de ander vindt dat NLD onder dyscalculie valt.
    zie: www.nld.be (een uitstekende informatieve website!)

    NLD (Niet verbale leerstoornis) wordt gedefinieerd als een neuro-psychologisch syndroom en staat voor Nonverbal Learning Disabilities of niet verbale leerstoornissen. NLD wordt omschreven als een rechterhemisfeer-stoornis, die zich kenmerkt door het samengaan van leer-en gedragsproblemen met motorische problematiek. NLD wordt ook wel planloosheid genoemd ofwel het samenspel tussen neuro-psychologische, schoolse, sociaal-emotionele en adaptieve functies schiet tekort. NLD uit zich in typische tekorten en vaardigheden in leerprestaties enerzijds en tekorten in sociaal emotioneel en adaptief opzicht anderzijds NLD is een rechterhemisfeer-stoornis waarbij sprake is van aantasting van de "witte stof" in de hersenen.

    De stoornissen in de informatieverwerking: Gestoord zijn intermodale taken waarbij meerdere informatiedelen met elkaar gecombineerd ,moeten worden (b.v. strikken van veters) verwerken van nieuwe begrippen, het oplossen van problemen en leren van opgedane ervaringen verlopen moeizaam. Processen die aangestuurd worden door de linkerhersenhelft verlopen goed, b.v. intermodale taken waarbij bekende informatie een rol speelt; routinetaken (b.v. tafels van vermenigvuldiging) 3 NLD aspecten: tekorten in de psycho-motoriek tekorten in het explorerend gedrag tekorten in de perceptie Daarmee samenhangend worden vaak problemen gevonden op ontwikkelingsgebieden: activiteitsniveau, taal/spraak emoties, sociaal gedrag.

    Voor meer informatie over NLD:
    www.orthopedagogiek.info

    Begin van de pagina

  • Dyspraxie
  • Dyspraxie in het kort Dyspraxie (ook wel DCD genoemd) is een onrijpheid van de hersenen met als gevolg dat boodschappen niet goed aan het lichaam worden doorgegeven. Het heeft invloed op tenminste 2% van de bevolking. (De wereldgezondheidsorganisatie spreekt in hun 'Diagnostic and Statistics Manual-IV' over 6% van alle kinderen), in variërende mate van handicap. 70% van hen is man. Dyspraxie is een onzichtbare handicap. Dit is zowel een voordeel als een nadeel. Een aantal van de problemen die veroorzaakt worden door dyspraxie zijn:

    • Onhandigheid
    • Slechte houding
    • Onhandig/lomp lopen
    • Verwarring over welke hand moet worden gebruikt
    • Moeilijkheden met het gooien en vangen van een bal
    • Gevoelige tastzin
    • Sommige kleren oncomfortabel vinden
    • Minder goed korte termijn geheugen. Het vergeten van wat de vorige dag is geleerd
    • Pover bewustzijn van het eigen lichaam
    • Problemen met lezen en schrijven
    • Een pen niet goed kunnen vasthouden
    • Slecht richtinggevoel
    • Niet kunnen huppelen, hinkelen of fietsen
    • Langzaam leren zichzelf aan te kleden of zelf te eten
    • Simpele vragen niet kunnen beantwoorden, terwijl ze wel het antwoord weten
    • Spraakproblemen, leren laat praten of praten onsamenhangend
    • Fobieën of obsessief gedrag
    • Ongeduld
    • Kunnen niet tegen haar borstelen of tandenpoetsen of haar- en nagelknippen
    • Kunnen niet tegen het dragen van een pleisters

    Een lijder aan dyspraxie heeft meestal niet alle symptomen, maar een aantal. Sommige kunnen overwonnen, anderen worden minder met de tijd. Als ze ouder worden zijn ze verbaal meestal goed aangepast en kunnen goed met volwassenen converseren. Ze kunnen door hun leeftijdsgenoten worden verstoten, omdat zijn niet goed in de groep passen. Ze zijn sterk in het ontwijken van taken die ze niet goed kunnen of die zelfs onmogelijk voor hen zijn. De intelligentie is meestal bovengemiddeld. Het sociale gedrag is daarbij vaak onvolwassen. Ze proberen op school met veel moeite om het sociaal gewenste gedrag te vertonen, maar hebben driftbuien als ze thuis zijn. Ze kunnen het moeilijk vinden om logica en redeneringen te begrijpen.

    Niet alle dyspraxielijders hebben al deze problemen, maar er is een gemeenschappelijke link. Veel ouders van een 'normaal' kind zullen zeggen dat hun kinderen enkele van deze symptomen heeft. Maar als je kind dyspraxie heeft, met of zonder de diagnose, dan weet je het verschil tussen een normaal kind met deze symptomen of een kind met dyspraxie. Er is geen genezing mogelijk van dyspraxie, maar een vroegtijdige behandeling maakt de kans op verbeteringen groter. Helaas worden veel van de vaardigheden die we vanzelfsprekend vinden nooit een automatisme als je last hebt van dyspraxie. Deze vaardigheden moeten worden aangeleerd.

    Voor meer informatie over dyspraxie:
    www.dyspraxie.nl

    Begin van de pagina

  • Dyslexie
  • Dyslexie is een ernstige leesstoornis (Vroeger sprak men van "woordblind"). Het is goed om te weten, dat er veel verschillende meningen zijn over "dyslexie". Men gaat er vanuit dat een kind met dyslexie een ernstige stoornis heeft op het gebied van lezen en ondanks alle behandelingen grote moeite blijft houden met lezen en schrijven van woorden.
    Het hoeft niet zo te zijn dat een dyslectisch kind "DOM" is, want Albert Einstein was dyslectisch...........

    In de meeste gevallen is er sprake van een lees- en spellingszwak kind, dat met "remediale begeleiding = extra hulp" verder te helpen is. Een Remedial Teacher is in de meeste gevallen een leerkracht die een speciale cursus "remedial teaching" heeft gevolgd en uw kind de juiste begeleiding geeft. Verschijnselen in het algemeen bij dyslexie Let eens op de volgende verschijnselen: Werkhoudingsaspecten

    • Ze lezen spellend.
    • Ze raden veel tijdens het lezen.
    • De lettervolgorde klopt niet.
    • Ze hebben moeite met het onder woorden brengen van hun gedachten.
    • Ze hebben vooral moeite met meerlettergrepige woorden.
    • Verleden tijd en tegenwoordige tijd worden niet goed aangevoeld. De werkwoordsvervoeging gaat moeizaam bij het schrijven van teksten.
    • Schrijfproblemen.
    • Moeilijkheden met concentreren.
    • Kan samengaan met linkshandigheid of ze hebben geen voorkeur voor links en rechts.
    • Moeizaam omzetten van wat je hoort in wat je ziet: van klank naar teken.
    • Moeizaam hardop lezen: van teken naar klank

    Er kunnen zich sociaal emotionele problemen voordoen zoals:
    • Faalangst
    • Psychosomatische klachten (bedplassen, hoofdpijn)
    • Angsten
    • Agressief gedrag
    Deze aandachtspunten kunnen nader onderzoek wenselijk maken. Bespreek het eerst eens met de klassenleraar van uw kind. De gezondheidsraad heeft richtlijnen opgesteld voor een "dyslexie verklaring". Zo is het de bedoeling dat een dyslexieverklaring door een G.Z.-psycholoog of Orthopedagoog wordt uitgegeven na een reeks van testen. Als uw kind een "dyslexie verklaring" heeft, is het de bedoeling dat de school voor extra mogelijkheden zorgt. Zo mag uw kind wat langer over proefwerken doen en ze mogen mondeling getoetst worden in plaats van schriftelijk.

    Voor meer informatie over dyslexie:
    www.orthopedagogiek.info

    Begin van de pagina

  • Dyscalculie
  • Definitie:
    Dyscalculie is een leerstoornis die ontstaat als gevolg van stoornissen in de cognitieve (het kunnen omgaan met de verwerking van informatie en kennis) ontwikkeling van het kind. Dit houdt het verwerken, organiseren, bewaren en weer ophalen van informatie in de hersenen in. Stoornissen in de cognitieve ontwikkeling kunnen het gevolg van een hersenbeschadiging of erfelijk van aard zijn. Daarnaast kunnen stoornissen optreden bij ernstige didactische en pedagogische verwaarlozing.

    Wil men van dyscalculie bij een kind spreken dan moet er sprake zijn van een (ruime)achterstand in rekenen in vergelijking met leeftijdgenoten. Daarnaast moeten er geen andere stoornissen en geen gestoorde ruimtelijke ontwikkeling aanwezig zijn. De aanwezigheid van een stoornis en of een afwijking in de ruimtelijke ontwikkeling kunnen ook als oorzaak functioneren voor het voorkomen van rekenproblemen bij het kind. In zo'n geval spreekt men van secundaire leerstoornissen.

    Men spreekt vaak ook van dyscalculie als leerlingen blijvende en opvallende moeilijkheden hebben met rekenvaardigheden en wiskunde en dit ondanks een normale intelligentie. Deze leerlingen kunnen moeilijkheden hebben met het begrijpen van de wiskunde, maar de moeilijkheden kunnen zich ook uiten in opvallend veel rekenfouten zonder gemis aan begrip. Deze term (dyscalculie) is minder bekend dan dyslexie. De letterlijke betekenis is: 'slecht kunnen rekenen'. Als een kind niet goed kan rekenen heeft dat in de basisschool minder consequenties dan als er met lezen iets aan de hand is, omdat rekenen een veel kleinere rol speelt bij de andere vakken.

    Waarmee kunnen problemen met rekenen zoal te maken hebben?
    • Een kind kan over zwakke intellectuele mogelijkheden beschikken, wat zichtbaar wordt bij alle leergebieden
    • Er kan sprake zijn van een leesprobleem, waardoor leessommen extra moeite kosten (redactiesommen)
    • Er kunnen problemen zijn met de rekenmethode en soms ook met het lesgeven; Dan ligt het aan het onderwijs

    Als de oorzaak niet in het bovenstaande ligt, dan moeten we kijken hoe het kind zich de basisvaardigheden eigen maakt:
    • Herkent het kind de getalsymbolen? Is er een directe koppeling tussen het zien van het cijfer 5 en het daarbij behorende aantal? En ook andersom: roept het cijfer 5 ook de hoeveelheid op dat erbij hoort? Hoe zit het met het begrip van de tekens, zoals +, - en =?
    • Verder spelen geheugenproblemen nogal eens een rol. Al rekenend raken ze de informatie kwijt uit hun werkgeheugen (korte termijn geheugen).
    • De basisvaardigheden van optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen komen er niet in (automatisering).
    • Ook de manier van werken die het kind hanteert kan een bron van verwarring zijn (strategie).
    Vaak is de instructie niet voldoende en is verlengde instructie nodig. Anders beginnen ze zo maar aan een som, of komen in tegendeel juist niet tot werken. Pas als deze problemen bij een goede begeleiding na 6 maanden van intensief werken hardnekkig blijken te zijn, zouden we van kenmerken van dyscalculie kunnen spreken. Er zijn ook kinderen die qua intelligentie een bepaald profiel laten zien. Deze kinderen ontwikkelen de praktisch intelligentie een stuk minder snel dan de taalgebonden intelligentie. Vaak spreekt men dan van een performale leerstoornis (Non-verbal Language Disorder).
    Om erachter te komen of er bij uw kind sprake is van dyscalculie of een andere niet-taalgebonden leerstoornis is een gespecialiseerd onderzoek noodzakelijk.

    Voor meer informatie over dyscalculie:
    www.orthopedagogiek.info

    Begin van de pagina